Mag je lachen als er een schurk crepeert?
Er is geen Mladic meer.
God is groot, en Mladic is dood.
Mladic stierf gisteren in zijn cel In Scheveningen
en het reuzenrad Draaide door,
en de wereld draaide door
en Sarajevo draaide door, misschien
Dansen mensen daar nu in de straten,
misschien
Gaan daar de vlaggen uit, misschien
Lacht en huilt en vrijt men daar,
en lacht geheimzinnig bij het ontbijt – wat weten wij
voor wie het absurdisme een blozende Koekjestrommel is,
een windvaan in de overgang, een schaap dat het Wilhelmus blaat.
Een spel, een spelletje, iets leuk
En aardigs.
Maar een slachting onder Duizenden, die onvoorstelbare gruwelen,
dat daarvan de commandant nog in leven was en dat die nu niet meer in leven is.
Dat dat niets verandert terwijl hij alles op zijn geweten had.
Mladic. Ratko.
Rattenkoning. De slachter van Bosnië.
Weg.
Het Zijn of niet-zijn van een oorlogsmisdadiger na de misdaad,
is dat alles,
is dat niets?
Wat voelden overlevenden in Sarajevo deze ochtend toen ze ontwaakten met: hij is dood. En alles is anders en niets.
Zagen zij hun koektrommel blozen, had hun windvaan een hete bui, blaatten hun schapen het lied van verbroedering?
Wij weten niks. Ons ‘dat kan toch helemaal niet’, een paard op een fiets, is een zege, een sacrament.
Wij die het ondenkbare kunnen verbannen naar de geschiedenisboeken
en naar de grenzen van ons rijk waar frontex of semtex ons beschermt tegen gespuis.
Wij die zullen sterven in een bed in een rechtsstaat, wij die stemmen over asielzoekers,
wij zijn het die het absurdisme nodig hebben.
Wij weten niks. Ja, rationeel zijn we heel goed op de hoogte, we staan ons mannetje in een debat.
Moet jij eens luisteren naar Jeffrey Sachs, staat gewoon op youtube man.
Maar ons debat is door zijn vele woorden woordeloos, we gebaren als op de kleuterschool.
Hij begon, nietes, welles, eigen schuld, net goed, moet je maar niet – maar wat hebben wij meegemaakt?
Wat doen we met onze duistere drang naar het onuitsprekelijke, dat gaat voorbij goed en kwaad,
als alles aangeharkt is en de harken zijn weggegooid –
Het absurde moet worden geïndexeerd.
Hoe beter we het hebben, hoe meer aanspraak we maken
op dansende spoorbomen, op ambtenaren van suiker die smelten achter hun loket,
op filerijden in een loftrompet, op dat wat helemaal niet kan en toch zal moeten.
Want als onze verbeelding niet meer woekert, als zij behekst is en stilgezet, dan dreigt het gevaar maar
Wij weten niks. Slechts heel voorzichtig stamelen we dat zolang zij, dat is die verbeelding van net,
kan woekeren dat het goed zal zijn.
En wat ik daarmee eigenlijk wil zeggen?
Ik heb geen idee, want ik (mag ik spreken voor een wij?)
Ik weet niks.
