De Odyssee die ik zag

Gemankeerd door een tanend geloof in de kracht van woorden dwing ik mezelf om een stuk over de film The Odyssey van Christopher Nolan te schrijven. Er is reeds veel en goed over geschreven door experts en Graeci aller landen. De film is volgens een kibbelend leger van criticasters te woke, te gewelddadig, te glad, te Hollywood, te belerend, te gemakkelijk, te klef, te cliché – dit wordt niet zo’n stukje.

Niet zo’n glad stukje. In deze tijden van de ontzieling van het woord ga je vanzelf schrijven als een tragische dwaas die probeert te ontkomen aan zijn lot, dan ga je rennen en formulier zoals nooit nog is geformuleerd om maar de machine voor te blijven vervorm je de esthetiek van je zinnen en denk je bij iedere wending, iedere zucht, als men hier nog maar het spoor mijner menselijkheid in ontdekken. Alsof wij, werkloze luddieten voor de maaidorser van de taalgenerators uithollen, de klievende messen koud langs onze nekken voelen suizen, nog iets in te brengen hebben. Maar wij gaan niet liggen en wachten tot de grote zwarte wielen langs ons voorbij trekken en we overblijven in het dorre veld, spelend met de weinige weerloze sprietjes – de hapax legomena – die zijn ontkomen aan de waanzin terwijl de maaidorsers in de verte ronkend nieuwe talen leegroven.

Wij blijven achter na de val van een beschaving waarin men veel en grondig las, waarin mensen grote verhalen kenden en deelden. Aan ons de opgave om over die verloren beschaving te blijven zingen – en zo zei Matt Damon het ook in zijn schip naar het onbekende Westen varend met Penelope om zijn manschappen de laatste eer te bewijzen. Dat was het hart van Nolans film, wanneer je tenminste de mode volgt en een film tot zijn politieke impulsen reduceert. Het is, nu AI slop onze schriftcultuur steeds sneller ondergraaft, een urgente boodschap. Ik juichte inwendig toen Nolan hem door het topzware vehikel van deze Edelkitsch heen tegen het bioscooppubliek uitsprak.

Welke film heb ik gezien? Ik genoot van het visuele spektakel. Niet het vechten maar Circe die Odysseus’ mannen in varkens verondert door hun gelaat uiteen te trekken en te boetseren. En het Paard van Troje dat de stad in werd geslepen in plaats van gerold. Lupita Nyong’o. De meme waarin Robert Pattinson, de sluwste en ranzigste van Penelope’s vrijer, zegt ‘somebody get these beggars out of here’ met , de sterfscène van de hond Argos (maar die was mooier in de film The Return (2024) met Ralph Fiennes, las ik), de schepen (who cares dat ze meer op vikingschepen leken dan op historisch accurate Griekse penteconter) die door de zee werden verslonden, de golem-achtige cycloop in een te lange grotscène, de plundering van Troje.

Ik heb een Vietnamfilm gezien over een oorlogsveteraan met een gebroken ziel. Rambo-Odysseus. Maar ik denk niet dat het Nolan om PTSD te doen is. Odysseus, die in onze cultuur voor zover ik dat kan overzien de status van listige en morele held heeft, krijgt karakter. Wat als wij de zeevolkeren zijn? Wat als wij de plunderaars zijn die we zo gevreesd hebben? Het is de boodschap die Noam Chomsky onvermoeibaar (en soms tactloos) heeft verkondigd. Oh my God, what if America is the bad guy? Odysseus reageert zijn woede en zelfhaat af op de vrijers die in een belachelijk eindgevecht één voor één keurig werden neergesabeld.

Ik zag geen vrouwonvriendelijke film. Nolan is te trouw gebleven aan de originele tekst om van Helena, Calypso, Circe en Penelope protagonisten te maken (en dat hoeft toch niet, Margareth Atwood schreef al een Penelopead). Maar de ene opmerking van Penelope tegen haar zoon Telemachos, dat zijn baardstoppeltjes meer betekenden dan haar twee decennia politieke ervaring vond ik een sterkere feministische boodschap.

Ach, iedereen heeft het erover. En laten we dat vieren, nu het nog kan. Nu er nog geen individueel op maat gemaakte speelfilms bestaan die ons dopaminesysteem ‘optimaliseren’ en die verslavender zullen zijn dan heroïne. Onze gezamenlijke verhalen, onze gezamenlijke cultuur van tweeënhalf millenium. Hoe wonderbaarlijk is dat, hoe zalig! Iedereen heeft een eigen versie van dit epos in zijn kop, die hij voor het grote scherm met die van spektakelritmeester Nolan mocht vergelijken. Mijn Scylla was groener dan in de film; mijn mast smaller; mijn Circe jonger; mijn eilanden rotsiger.

Hoedt het overweldigende cineastische spektakel onze gezamenlijke verbeelding, of doet hij haar juist slijten? Spraken de omzwervingen van Odysseus niet altijd tot de verbeelding omdat ze onze verbeelding stimuleerden? Ik weet het, generaties denkers zijn mij hierin voorgegaan, maar het is een overweging die nu belangrijk is.

Ach, misschien is het onontkoombaar dat alles in definitive, authoratative footage wordt omgezet waaraan de verbeelding van jonge geesten nauwelijke meer kunnen onttrekken. De baard van Odysseus is dan plotseling precies even lang voor alle gymnasiasten. En wat dat voor onze cultuur betekent, lieve lezer, laat zich raden.

Nolan gaat hierna natuurlijk Gilgamesh verfilmen. Mijn enkido is een leuk kereltje, kroeshaar heeft-ie geloof ik. En die van jou?

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie