Een kijkje in Budel

Het is zondag 19 november, drie dagen voor de verkiezingen. Op het station van Maarheeze is toezicht in gele hesjes aanwezig. “Aha!” denk ik, op televisie had ik iemand horen zeggen dat het altijd hommeles is in Maarheeze en dat bezorgde burgers hun dochters hier niet alleen de trein laten nemen. Het is ongeveer twee uur ’s middags, de lucht is bewolkt. Ik volg het fietspad dat langs visvijver ’t Tipke en het voormalige landgoed van afvalkoning Leo van Gansewinkel tot ik voor het asielzoekerscentrum sta. Onderweg glimlach ik tegen keurig geklede donkere jongemannen die me in kleine groepjes tegemoet komen. De meesten glimlachen vriendelijk terug. Sommigen rijden op een fiets.

Voor de toegangspoort van het AZC weet ik niet goed wat ik moet doen. Ik ben gekomen om ‘met eigen ogen zien’ hoe de situatie is. Ik observeer, zittend op een omgevallen betonnen paaltje, de asielzoekers die met blauwe en gele boodschappentassen kwamen en gingen. Van de voormalige Duitse kazerne zie ik niet meer dan wat vervallen barakken.

Het begint te motregenen en ik verzamel de moed om me aan de balie voor te stellen als onafhankelijk journalist. Uiteraard vertelt een vriendelijke geüniformeerde medewerker dat ik eerst een afspraak moet maken. Of het zinvol is om eens in het dorpje Budel te gaan kijken?

“Wat u in de openbare ruimte doet moet u zelf weten”, zegt de staatsrobot.

Ik maak rechtsomkeert en spreek met hervatte moed een groepje van vier asielzoekers aan (jongemannen). Een Zuid-Afrikaan begint meteen om geld te bedelen en vertelt hoe vreselijk ze worden behandeld. “We krijgen maar één keer per dag eten”. Ik lees dat dat ‘versoberde opvang’ heet (en de brutale jongen uit Kaapstad liegt natuurlijk dat-ie barst). Een Koerd, die goed Engels spreekt, zegt dat hij wel tevreden is over de opvang. Maar de procedure duurt veel te lang. Wat maakt het eigenlijk uit? Je kunt mensen netjes in kampen stoppen maar als ze eindeloze procedures moeten afwachten staat hun leven op pauze.

Hoe zouden wij ons voelen als we werden opgevangen in een AZC in het buitenland? Binnen een jaar Urdu moeten leren? Arrogante bureaucraten hoofdschuddend onze trotse diploma’s terzijde zien schuiven?

Empathie. Dat is er tussen Nederlanders onderling al nauwelijks.

De jongemannen beweren dat ze mij als hun gast mee naar binnen mogen nemen. De bewaking wordt natuurlijk meteen agressief.

“Het is u al uitgelegd.”
– “Dat was zojuist, in de hoedanigheid als journalist. Nu kom ik als persoonlijke kennis.”
“Bijdehand zijn is ook een kunst”, zei de staatsdienaar die ik verdomme met mijn belastingcenten betaal, terwijl hij dreigend mijn kant op liep, klaar om me bij mijn lurven te pakken. Ik kan ruiken hoe graag hij dat zou willen doen, die vreselijke, vreselijke rotfascist. Gadverdamme, denk ik, terwijl ik rustig afdruip. Als dát het gezicht van Nederland is voor deze asielzoekers.

Ik marcheer naar het uitgestorven Budel en door de bossen terug naar Maarheeze. Later schrijf ik een e-mail aan de organisatie van het Centrale Orgaan Asielzoekers, waarin ik vraag om een interview. Waarom heb ik die obsessie met asielzoekers? Antwoord: omdat ze buiten de maatschappelijke orde staan. En ik ervaar die maatschappelijke orde als rigide, bureaucratisch, onmenselijk. De orde waarin mensen die hun dierbaren ‘onder de mantel der liefde’ verzorgen daarvoor materieel bestraft worden. De orde waarin arbeidsmigranten na hun ontslag in tentjes moeten wegkwijnen. De orde waarin slachtoffers van het ene schandaal na het andere – ik heb een hekel aan die orde.

Ik wil erdoorheen prikken, van mens tot mens kunnen praten. Brood breken. Daarom heb ik ook zo’n hekel aan nationalisme. Hasan, een briljante kunstenaar of maker van goddelijke falafel, is in eerste instantie ‘veiligelander’ (wat een gedrocht van een woord is dat).

We kunnen niet de hele wereld opvangen. Populisme galmt, galmt heel hard.

De statistieken vertellen een ander verhaal. Er zijn helemaal niet zoveel asielzoekers in Nederland (11% van het totaal). En arbeidsmigratie hoort bij een welvarende economie.

Het probleem (overlast, woningnood) kun je niet wegmanifesteren. Tijdens mijn boswandeling gooi ik de knuppel welgemikt in het hoenderhok, opdat het veel gekakel losmaakt. Ik wijs namelijk een schuldige aan: het individualisme.

Wanneer we ‘gewoon’ meer van elkaar houden, liever voor elkaar zijn, liever bij elkaar zijn, lost het woningentekort zichzelf op. De Nederlander woont op gemiddeld 65 vierkante meter per persoon. In Duitsland is dat aanzienlijk minder. Het aantal alleenstaande 75-plussers stijgt tot bijna 950.000 in 2030. De politiek presenteert dit als praktisch doorstroomprobleem: maak het voor ouderen voordelig om naar een kleinere woning te verhuizen, zodat er een gezin in hun oude huis kan. Maar wat als ze alleen wíllen blijven?

Waarom heb ik geen partijprogramma gezien dat meergeneratiehuishoudens bevordert? Ja, maar je kunt toch van niemand verwachten dat ze hun ouders huisvesten, ze hebben het al zo zwaar.

Dát is het individualisme waar ik zo graag een hekel aan heb. Mensen worden in eerste instantie als last gezien. Dat projecteren we op migranten, maar het begint bij onze eigen families. We hebben het hier over prioriteiten en wanneer je door Nederlandse straatjes loopt en een glimp opvangt van de gordijnloze woonkamers en de geparkeerde auto’s, weet je waar die liggen: meer materie, meer comfort. Waarom durven we dat niet duidelijker uit te spreken in het kader van de zogenaamde Nederlandse directheid? Waarom grijpen we dan naar laffe eufemismen als “Je wil toch je boterham kunnen beleggen”? We moeten het durven uitspreken: ik sta moreel achter de aanschaf van deze bolide, van het geld dat ook naar een stichting had kunnen gaan. Dáár moet de Calvinistische schaamte plaats maken voor botte directheid, dan weten we tenminste welk vlees we in de kuip hebben. Er is al wat gewonnen wanneer men zichzelf bij luxeconsumptie (en daar valt heel veel consumptie onder) niet meer overschreeuwt met “Dat is mijn goed recht”, maar rustig uitlegt waarom het een deugd is. Door onze consumptie zeggen we ook in wat voor samenleving we willen leven: we kiezen aan de kassa. Die keuzevrijheid is net zo heilig als de electorale kiesvrijheid. Maar de politiek moet erover kunnen spreken, want de keuzes die er echt toe doen worden uiteindelijk in de supermarkt gemaakt.

Het motregent in het bos. Ik voel me gelukkig in mijn wandelschoenen bij een beekje. Ach, dat vermaledijde individualisme – ik ga zelf ook zo graag alleen wandelen, even helemaal geen getetter. Bescheiden leven, in een bos zitten en denken aan toekomstige generaties. Kiezen voor bescheiden bestaanszekerheid in plaats van onzekerheid in luxe. Weten waar je aan toe bent, tot in lengte van dagen. Een bescheiden, voorzichtige hoop koesteren vanuit de diepe overtuiging dat als iedereen op dezelfde manier gelukkig en tevreden zou zijn als jij het bent, dat alle problemen die de oververhitte economische machine nu veroorzaakt dan als sneeuw voor de zon zouden verdwijnen.

De gele hesjes staan er nog steeds toen ik weer op station Maarheeze arriveer om op de trein huiswaarts te stappen. Ze vragen met klem aan een groep blanke, donker geklede Nederlands sprekende tieners of ze even willen inchecken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *