Toen ik hoorde dat niet zomaar iemand, maar een gevestigde stem in ‘het culturele landschap’, zoals de volksmond zegt, zijn jongste boek kosteloos online had gezet, dacht ik: dat moet ik lezen! Omdat ik zelf ooit mijn fikken brandde aan een malafide uitgeverij sprak het me direct aan. Rebellie! Opstand tegen de gevestigde orde, een chaotische vloeibare tegenmacht tegen beleidslijnen, past-niet-in-het-fonds, verdienmodellen, ‘wees nou realistisch’, en vooral: de markt als iets waar je je met religieuze ijver aan moet onderwerpen. Hier was een auteur die er ook genoeg van had en een puntgave roman (nauwelijks ‘foutjes’) zomaar als een enorme lap tekst op zijn website publiceerde.
Ja, publiceerde. Toegankelijk maakte voor iedereen met een internetverbinding en dat is tegenwoordig iedereen ter wereld op een paar uncontacted tribes na. Dat gegeven is groots en meeslepend! maar we halen onze schouders er niet eens meer voor op. We doen liever alsof een tekst pas bestaat wanneer hij door een officiële uitgeverij wordt gedistribueerd. Impliciet is de boodschap altijd dat geld uiteindelijk, als puntje bij paaltje komt, belangrijker is dan de tekst, er moet schaarste worden gecreëerd, reclame gemaakt, een publiek verleid om het te kopen –
De tekst! De schrijver noemt het een documentaire en geen ‘roman’. Daar is de tekst te rauw voor. Je gelooft bij het lezen dat van Putten niet heeft geromantiseerd. Het is alsof je hem hoort vertellen terwijl je in een bolide (hij test natuurlijk ook auto’s) naast hem zit op weg van Zoutkamp naar Amsterdam. Hij beschrijft scherp de dementerende mensen in het verzorgingshuis waar zijn vader is opgenomen, het decorumverlies (nazis nadoen zoals ooit voor de grap). Nietsontziend, ook zichzelf niet, beschrijft BvP gedetailleerd zijn wederwaardigheden als mantelzorger en de jeugdherinneringen die daardoor getriggerd worden. Hij neemt de institutionele taal op de hak door zijn vader consequent ‘dhr’ te noemen zoals in de aantekeningen van zijn verzorgers en aan de verzorgde zinnen merk je dat formuleren in zijn bloed zit.
De heer gaat hemelen zijn goudeerlijke messcherpe observaties over de laatste levensfase van zijn vader, de heer. Er geldt bijna exact het tegenovergestelde voor als wat Kees ’t Hart meer dan twintig jaar geleden over van Puttens roman Almacht schreef:
Dit boek staat bol van de pretenties, is akelig vaag en regelmatig tenenkrommend vervelend, maar tegelijkertijd barst het van geestige scheefpraat en rare smalltalk, is het onmodieus en bewonderenswaardig obsessief.
Dit boek is bescheiden en zelfkritisch, aangenaam exact en regelmatig hartverwarmend bezield, maar tegelijkertijd barst het van authentieke dialogen, is het precies wat de tijdgeest nodig heeft en bewonderenswaardig mild. Dat laatste, dat we niet iedereen prima facie veroordelen zoals reaguurders en nare stukjesschrijvers doen, maar begrip hebben voor de tragiek die zich in ieder mensenleven uitdrukt. Het is een volkssport om de gebreken van ‘grote mensen’ bloot te leggen en een heilige plicht van biografen en komedianten om ervoor te zorgen dat niemand er ongeschonden tussendoor glipt. Oprechte, enthousiaste waardering van een groot artiest zonder voorbehoud en disclaimer, zonder je ook (en dan: voornamelijk) bezig te houden met diens ‘human stain’, is verdacht. Dat is een symptoom van het nihilisme dat weer om zich heen grijpt: men gelooft niet genoeg in werken en ideeën om maling te hebben aan de morele feilbaarheid van wie ze heeft bedacht.
Van Putten breekt een lans voor meer wantrouwen in de reflexen die onze cultuur ons opdringt en minder wantrouwen in onze tragische, falende medemens: “En wij maken illusies over de mens kapot. We hebben Bach, Mozart en dit [Bernd Alois Zimmermann, kc], en wij willen de mens ontmaskeren. Hier heb je hem, hij is iets prachtigs. Zouden we niet eens proberen hem te vinden?”
Laten we mensen zo sterk maken als de mooiste overtuigingen die ze koesteren. De beschrijving van de bezoekjes aan het verzorgingshuis wordt onderbroken door de levensloop van de componisten Tschaikowsky en Bruckner en reflecties op het leven van de schrijver zelf. Hij was op een haar na musicus geworden maar de omstandigheden maakten hem tot schrijver en (denk ik) de bekendste muziekcriticus van ons land. Het woord blijft een lapmiddel, het kan nooit de ervaring zelf zijn zoals klank of de ‘gloed’ zoals van Putten het noemt. “Het is iets menselijks dat noodgedwongen toon moet worden. Het moet zich uitspreken, en heviger dan woorden is gegeven.” Ik denk dat hij het heeft over een mystieke ervaring. Het alomvattende, het ‘zijn zelf’, het elysische moment dat zichzelf rechtvaardigt en in zichzelf rust – o hoeveel kitsch kan onze taal daarover uitstorten en hoe vaak gebeurt dit ook onder druk van de commercie in ons zenuwachtige tijdsgewricht.
En toch, onze pogingen om die ervaring onder woorden te brengen, die tenminste de intentie codificeert dat we het met elkaar willen delen, kan troost schenken. Een bescheiden troost: met woorden kunnen we alleen maar spelen en wijzen; hoe meer we spelen, hoe meer gelaagd we schrijven, hoe verder we lijken af te drijven van de authenticiteit, van de gloed die we bij Bach, Schumann of Tschaikowsky ervaren. Daarin herhalen we bewust de tragiek van het menszijn die onze tijdsgeest wil afschaffen. Schrijvers zijn ten diepste humanisten wanneer we ons opmaken voor de finale paradox van het leven, dat we elkaar nergens nader beleven als in het moment van afdrijven wanneer de afstand definitief (veilig?) niet meer overbrugbaar is. Dat ervoer BvP met zijn vader.
Het ene verlossende woord bestaat niet (“Noem mij het woord dat gong is.”) Ook het woord van God niet, die is dood. Bach is geen gezand gods maar omgekeerd de Urheber van ervaringen die we, als we ze allemaal bij elkaar optellen, aan het einde van de mensheid misschien wel god mogen noemen. Zo wil ik het humanistische geloof formuleren – en hier moet een componist het van ons overnemen.
Alles en iedereen is feilbaar. Ook zonder officiële diagnose (ADHD, verslaving, PTSD) hebben mensen het recht om maar wat aan te rommelen, om onverbeterlijke klunzen te zijn. En onze pavlov-reactie op klunzigheid moet mededogen zijn. Ik denk dat BvP dat bedoelt en zo zat hij meen ik ook naast zijn vader. De man haalde op het laatst alles door elkaar, maakte racistische opmerkingen, dacht dat zijn decennia eerder overleden vrouw nog leefde, riep ‘heil Hitler’ etcetera. Het wordt allemaal klinisch en hartverscheurend beschreven. Erbarmen: “Je verwekker is geen god, geen rentmeester over zijn schepping. Hij is een kind als jij. Dat rommelt maar wat aan, het plant zich voort, er komt een kind en dat is net als hij, het zoekt bescherming.”
Mededogen is niet een plat vergevingsritueel aan een sterfbed maar de bereidheid om alle rituelen op te schorten. Er valt niks te zeggen, we laten elkaar zwijgend toe als deelgenoot van hetzelfde Onuitsprekelijke, dezelfde gloed. Die intimiteit is natuurlijk voorbehouden aan onze naasten. Mededogen met mensen die wat verder van ons afstaan, met wie een sterfbedrelatie is uitgesloten, is vicarious. Dat moeten we cultiveren. Daarbij helpt misschien het woord, maar meer nog de muziek, de allerindividueelste ervaring die de grenzen van het individu tijdelijk opheft. Als we dit ervaren:
Als een grote, zware slang glijdt Anton Bruckner over de bodem van mijn ziel, loom strelend als een strijkstok over open snaren.
dan…
Ik heb, zelf zoon en vader, van het boek geleerd dat het leven altijd ook literatuur mag zijn. En dat literatuur ook gewoon op een blog gepubliceerd kan worden, veraf van de walm van de verdienmodellen en de carousel van eer.
Ik hoop dat we in het nieuwe jaar minder krampachtig doen over erkenning en status. Dat we het snode cynisme van ons af durven werpen en vriendelijk zijn tegen elkaar en nooit opgeven dat Onuitsprekelijke dat we allemaal ervaren maar niet kunnen delen te beschrijven – hoe, beweer ik op het gevaar af dat ik van hielenlikkerij word beticht, dat kunnen we afkijken van een ervaren meester als Bas van Putten.

