Ik kwam naar Nederland om te sterven. Nee, lieve lezer, dit wordt geen vrolijk stuk. Maar ik ben filosoof en dat betekent dat mijn subjectieve waarheids-ervaring moet triomferen over sociale normen en etiquette. Toen ik vijf jaar geleden noodgedwongen (er heerste een pandemie en ik wilde veiligheid voor mijn gezin) naar Nederland terugkeerde had ik veel last van kiespijn. Ik had mezelf overal ter wereld laten behandelen maar dat loste niks op.
In Nederland kon mijn dochter naar een goede basisschool en ik kon mijn geld verdienen met geestdodende taken op het internet. De pijn bleef. Ik liet me behandelen door een legioen tandartsen en kaakchirurgen – maar de pijn bleef. Ik schreef gedichten in de adempauzes tussen de pijn. De pijn had mijn intellect verwoest. Ik kon me niet meer concentreren. Ooit schreef ik een middelmatig filosofisch proefschrift, maar zelfs dat niveau haal ik niet meer en dat komt door de pijn in mijn bek.
Pijn leidt tot intellectuele invaliditeit. In onze verzorgingsstaat is daar geen categorie voor, dus bestaat het niet. Wanneer er een homunculus in je kop zit die voortdurend ‘gevaar!’ schreeuwt maar je kunt niet wegvluchten uit dat hoofd, heeft dat de hoogste prioriteit. Het maakt niet uit hoe goed je differentiaalvergelijkingen kunt oplossen: de pijn blijft. Het IQ gaat van 130 naar 90. Je kunt alleen nog repetitief onzinnig werk doen, waar je de onzin van inziet door de schemer van het teloorgegane intellect. Dat is de kwelling.
Geluk en romans
De verwoeste geest doet alles om het zich toch nog naar de zin te maken. Hij probeert te ontsnappen in andere verhalen, boeken, televisieseries, films. Het gedragspatroon is hetzelfde als bij depressie, die andere fysieke ziekte. Het zenuwstelsel is ‘ein Dickicht lichterloh vor Schmerz’ zoals de beroemde Dichter Johann Ephraim Echternach rond 1850 schreef. Wanneer een alarm alle zenuwsignalen overheerst is het leven een eindeloze vlucht voor zichzelf. In een samenleving waar tot in de haarvaten het consumentengenot absolute prioriteit heeft, word je dan geleidelijk aan schizofreen. De fysieke wereld is pijn en gevaar, dus je leeft zoveel mogelijk in fictieve werelden. Je word gedwongen (want ik denk dat het ons uiteindelijk allemaal om genot, jouissance, te doen is) om meer te genieten van een zin waarin iemand een uitstekende wijn drinkt dan van de wijn zelf, omdat het getormenteerde verhemelte ieder genot verkracht.
Schrijven, dus. Ik heb me soms een paar uur lang gelukkig gevoeld wanneer ik aan een roman schreef. Ja! Dát wil ik maken, dat wil ik delen. Dat is mijn liefde voor het leven. Ik ervaar het steeds meer als vanzelfsprekend dat de samenleving daar niet, zoals de volksmond zegt, ‘op zit te wachten’. Als ik tien minuten geen pijn in mijn bek heb, schrijf ik. Iets eigenzinnigs maken zonder objectief nut, misschien is het mijn wraak op het bullshitbestaan waartoe de pijn me heeft veroordeeld. Het is ook een ongekend privilege, het enige dat ik koester. Ik wil dit jaar tien exemplaren van mijn roman drukken om aan vrienden te geven. Is alle bescheidenheid vals? Kun je de valsheid overwinnen door hyperbool – ?
Dagboeken
In mijn dagboeken van de afgelopen vijf jaar zijn veel bladzijdes gevuld met fraaie woorden als “Oneindige haat” en “Pijn is de spil van mijn universum”. Ik overleef uit plichtsbesef. Ik verdien mijn eigen geld met activiteiten die compleet zinloos zijn zoals het vertalen van productbeschrijvingen voor Jeff Bezos. Mijn dagen zijn gevuld met absolute (ab-solu, losgemaakt van iedere mogelijkheid tot verzoening), diepe walging. Is het masochisme? Nee. Ik kan niet anders en dat komt door die pijn. Bijna iedere dag van 2025 (en 2021, 2022, 2023, en 2024) was gevuld met pijn. Het breekt een mens, het is fataal. Niemand verdient het om zo te overleven.
De medische wereld
Dan ga je toch naar de dokter! Breek me de bek niet open (pun intended). Ik geef tienduizenden euro’s per jaar uit aan medische ‘zorg’ maar krijg er niks voor terug. Ze hebben veel kiezen uit mijn bek gehaald met de expliciete belofte dat dit die eeuwige pijn zou oplossen. Als ik over palliatieve zorg begin reageert men ofwel niet ofwel met sarcasme. Ik zet soms een boormachine in mijn kaak om de bron van de pijn weg te boren, volkomen geschift natuurlijk, want het zit tussen de oren en daarvoor is mijn boortje te kort. Als ik voor vijftig mille (mijn spaargeld) ergens ter wereld een dure behandeling zou kunnen ondergaan die mij van die pijn kan genezen (ik ervaar het als vanzelfsprekend dat niks vergoed wordt door de ziektekostenverzekering, ook dat houdt de waakvlam van de haat brandende) zou ik er vandaag nog heen vliegen. Dat is een andere bijkomstigheid: de betekenis van geld verandert. Ik gebruik het om te overleven maar kan er geen levensgenot van kopen, terwijl dat in onze maatschappij de norm is: ik zou een Porsche moeten willen aanschaffen of duur uit eten gaan of op de Malediven gaan liggen. Daarmee erodeert de motivatie om een bullshit job te doen, die toch al geheel extrinsiek was, tot het verkruimelingspunt.
Ik blijf!
En toch, ondanks alles: heel erg graag zou ik nog wat langer leven, omdat ik ieder jaar toch wel enkele uren of zelfs dagen pijnvrij ben, zoals een paar weken geleden in Berlijn. Er zijn lichtpuntjes. Daarin kan ik leven. In 2026 hoop ik honderd goede uren te halen en ik ga ze tellen. De hoop sterft het laatst en zij zal ook mij overleven.
Ik hoop dat niemand anders in 2026 hoeft te leven zoals ik. Ik hoop dat mensen die meer of minder pijn hebben dan ik wél een royale uitkering krijgen en géén geestdodend werk hoeven doen om te overleven. Dat artiesten kunnen scheppen wat ze willen scheppen. Dat mensen mededogen leren voelen. Dat het een jaar van menselijkheid wordt en niet van machines. Dat de oorlog in Oekraïne en Soedan en Congo eindigt en die in Venezuela er niet komt. Ik hoop dat er op 31 december 2026 heel weinig mensen weer een jaar in de hel hebben geleefd –

